Verhalen die precies het tijdsverloop volgen van het begin tot het einde, lijken op de verhalen van jonge kinderen: toen gebeurde er dit en toen gebeurde er dat. Voor een verteller is deze vorm overigens vaak goed bruikbaar, want de luisteraar kan het verhaal zo prima volgen. Op papier krijgt het verhaal echter al gauw het karakter van een opsomming. Gelukkig heb je als schrijver veel mogelijkheden om te variëren, omdat je op allerlei manieren ervoor kunt zorgen dat de lezer de draad vasthoudt.
Hoe doe je dat dan? Die kunst kunnen schrijvers afkijken bij filmmakers. Zij denken bij het draaien van een film in losse eenheden, die samen het hele verhaal vertellen: de scènes. Een scène bestaat altijd uit een handeling op één plek (de kajuit, de woonkamer, het tuinhuisje) op één moment (de zomernamiddag, de uitgaansavond). Het heeft altijd een duidelijk begin en een duidelijke eindmarkering.
1. Breek je verhaal op in scènes
Probeer eens of jij je verhaal kunt opdelen in afzonderlijke scènes in plaats van een grote vertelling te schrijven.
- Knip de handeling op in afzonderlijke stukken. Elke keer als de personages op een nieuwe plek aanwezig zijn of als er een verandering is in de tijd, begint een scène.
- Zorg voor een goede begrenzing van een stukje. Iedere scène moet geopend en gesloten worden. Dat doe je meestal door een nieuwe tijdfase en/of plaats aan te geven. Dat hoef je overigens niet altijd letterlijk doen; je kunt ook suggereren dat er een tijdsprong gemaakt is.
- Vraag je af wat de hoofdgedachte is van de scène. Wat is de kern en waarom heb je hem nodig in je verhaal? Wat wil je de lezer duidelijk maken? Wie wint er en wie verliest er? Aan het eind van elke scène moet er iets veranderd zijn. De hoofdpersoon neemt bijvoorbeeld een beslissing of is tot een nieuw inzicht gekomen.
Als je de scènes uitgeschreven hebt, kun je met deze stukken gaan schuiven. Daarmee bouw je spanning op. Je laat je lezer bijvoorbeeld weten hoe een gebeurtenis afloopt (een flashforward), maar onthult pas stap voor stap hoe het zo gekomen is. Of je schuift een terugblik in je verhaal, die een verklaring geeft voor iets wat in het heden gebeurt (flashback). Als je binnenkort een film bekijkt, kijk dan eens bewust hoe de regisseur dit bij de verfilming heeft aangepakt.
Maak dat schuiven van scènes vooral niet te ingewikkeld. Als je de vaste tijdsvolgorde doorbreekt, eis je veel van een lezer om de draad vast te houden. Ga er dus terughoudend mee om.
3. Zorg voor een ouverture
Besteed speciale aandacht aan de vraag welke scène je aan het begin zet. Denk daarbij eens aan de opbouw van een klassiek muziekstuk. De componist laat de luisteraar in de opening vaak het thema horen van het muziekstuk in een eenvoudige vorm. Het is een soort warmmakertje voor de rest van het muziekstuk. De componist geeft een belofte af en zet de toon.
Dat kun je ook met een geschreven stuk doen. De eerste scène bevat in beknopte vorm het belangrijkste dilemma of het meest spannende element van de rest van het verhaal. Een symbolische anekdote is ook mooi. De hoofdpersoon staat bijvoorbeeld altijd vooraan als er iets te beleven is. De eerste scène verhaalt hoe de jongen bij de zwemles meteen in het diepe springt, terwijl de andere kinderen van de klas eerst hun zwembandjes aandoen.
4. Kies een passend einde
Het einde van het verhaal vraagt er vaak om dat het centrale thema nogmaals terugkomt of afgerond wordt. De lezer verwacht een soort conclusie. Bij een waargebeurd verhaal komt de hoofdpersoon in de slotscène meestal tot een nieuw inzicht of trekt hij een conclusie uit de gebeurtenissen.
En toen kwam er ook een einde aan dit artikel. Maar niet voordat ik je aanmoedig om zelf eens te spelen met de volgorde van je verhaal of artikel. Het wordt er een stuk lezenswaardiger van!
"Ik schrijf zo snel, omdat ik benieuwd ben naar de afloop."
- Simon Vestdijk
Verder lezen:
0 reacties:
Een reactie plaatsen